Té Lau

als de lente niet meer komt,

voor Té Lau aan Maarten van Rozendaal

Ach, zie die mensenrijen staan
en allen dragen ze hun naam.
En in zich, samen, dat verlangen 
om jou te horen en te zien, 
al is het dan, wie weet, 
voor ’t allerlaatst misschien.

Jij kent de klank, van elke zaal.
Jij kent het klinken van een glas
en dat je zong, dat : “De wereld is van iedereen”; 
ik vraag me af, was dat een dronken grap ?
Of heb je dat ook zelf ooit echt gedacht.

Ik kan het jou niet vragen.
Voor jou geen bezemwagen.
J’ hebt begrepen, ingezien
Dat ‘de gever’ nooit krijgt, wat hij verdient.

En hoor, die kelen zwellen aan 
(In) dat laatste kippenvelmoment.
Je zei zo vaak dat dat nooit went, 
net als het lichaam dat zich wentelt 
in liefdeslust en ‘t Leven leiden.
        
En kijk daar, in die mensenzee!
Op d ’eerste rij, hij keelt je mee.
En al gun je hem je stoutste dromen niet, hij is achter jou 
en vreet zich, rauw en hees en teder, 
tot het stil wordt, in je keel.        

Kan tiktaktijd vertragen?
Hoe lang nog afzien, zonder klagen?
Zie de krijger! Leeggegeven!
In rook opgaan…

En als je dan de pijp uitgaat
en eeuwig in dat jachtveld staat,
kijk dan uit naar Bowie, Brel en naar Van Rozendaal.
Breng een toost uit, en zing! Op ons! 
Wij janken mee in dit mooie tranendal.

Voorbij ! Die laatste dagen.
En er is niets meer om na te jagen.
J’ hebt gegeven wat je kon. 
En, dank je wel. Voor wat je zong.
J’ hebt gegeven wat je kon. 
Dank je wel. 
Zo mooi.


Tekst en muziek: Jo Huylebroeck
foto van Maarten van Rosendaal

In

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *